juni 23, 2026

Onlangs verscheen Veelstemmig, het rapport van het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) over de Tweede Kamerverkiezingen van oktober 2025. Dit blog is gebaseerd op ons hoofdstuk daaruit. Het hele rapport is hier te vinden.

Internationale waakhonden zijn lovend over de Nederlandse democratie. In 2025 gaf het Zweedse Varieties of Democracy Institute (V-Dem) ons land een 8.3 uit 10, en het Amerikaanse Freedom House zelfs een 9.7. Toch is de Nederlandse kiezer een stuk strenger: gemiddeld krijgt de eigen democratie slechts een 6.4. Volt-stemmers geven de Nederlandse democratie het hoogste cijfer (7.8), FvD-stemmers het laagste (3.7). Gemiddeld genomen een krappe voldoende dus.

Het verschil tussen de positieve beoordeling van experts van V-Dem en Freedom House en het kritischere oordeel van kiezers roept een interessante vraag op. Hoe kijken burgers zelf naar de staat van de democratie? En denken zij dat de democratie stabiel is, of juist achteruitgaat? Een dergelijke achteruitgang van democratische normen, instituties en spelregels noemen we ‘democratische erosie’ (ook wel bekend als democratic backsliding of democratic recession). In dit blog kijken we daarom naar zogenoemde ‘erosiepercepties’: de mate waarin kiezers democratische erosie waarnemen. We laten zien welke kiezers erosie zien, welke onderdelen van de democratie zij als zwakke plekken zien, en welke onderdelen juist als weerbaar worden gezien.

De rol van erosiepercepties

Veel politicologisch onderzoek kijkt naar de evaluaties van internationale democratie-waakhonden om te bepalen of een democratie onder druk staat. Zulke expertbeoordelingen zijn onmisbaar om vast te stellen of democratische instituties daadwerkelijk verzwakken. Maar democratische erosie is niet alleen een kwestie van wat experts waarnemen. Ook de percepties van burgers zijn belangrijk.

Burgers vormen namelijk een belangrijke verdedigingslinie van de democratie. Hoe burgers de democratie ervaren, beïnvloedt in belangrijke mate of zij zullen stemmen, protesteren, of zich op andere manieren verzetten wanneer democratische normen en instituties onder druk komen te staan. Zo laten de Hongaarse verkiezingen van afgelopen april en de Poolse verkiezingen van 2023 zien hoe belangrijk die rol van burgers kan zijn: wanneer kiezers democratische erosie waarnemen, kunnen zij via verkiezingen bijdragen aan het tegengaan van autocratisering en politieke verandering. Democratische weerbaarheid hangt uiteindelijk niet alleen af van sterke instituties, maar ook van kiezers die bedreigingen van de democratie herkennen en daar politiek naar handelen.

Daarom is het belangrijk om te weten of stemmers denken dat ze in een stabiele democratie leven, of juist menen dat de democratie achteruitgaat. Dat noemen we ‘erosiepercepties’. In dit NKO brengen we deze erosiepercepties voor het eerst in kaart.

Steunen kiezers de democratie nog wel?

Voordat we kijken naar percepties van democratische erosie, is het belangrijk om te weten of kiezers de democratie überhaupt belangrijk vinden (zie Figuur 1). Het antwoord is grotendeels geruststellend: 63% vindt democratie in álle gevallen de beste regeringsvorm, en slechts 7% is het daarmee oneens. Maar zodra we in de vragenlijst concreter maken wat ‘democratie’ betekent, zien we grotere verschillen tussen kiezersgroepen. Dat rechters de regering moeten kunnen terugfluiten als die haar boekje te buiten gaat (macht en tegenmacht, een kernprincipe van de liberale democratie) vindt 62% van alle kiezers. Onder VVD-stemmers is dat echter een nipte meerderheid (52%), en onder PVV-stemmers zelfs een minderheid (42%). Een sterke leider die ‘de regels wat oprekt’ kan daarentegen rekenen op de steun van een meerderheid van VVD- en PVV-stemmers, terwijl GroenLinks-PvdA-stemmers daar juist fel tegen zijn.

Er is dus brede steun voor het ideaal ‘democratie’, maar geen vanzelfsprekende overeenstemming over wat democratie precies inhoudt (zie ook hoofdstuk 13 uit het NKO rondom de verkiezingen van 2023). Juist daarom is het niet vanzelfsprekend dat kiezers democratische achteruitgang op dezelfde manier waarnemen. Wie verschillend denkt over wat democratie is, zal immers ook verschillend beoordelen wanneer die democratie onder druk staat en welke ontwikkelingen als bedreigend worden gezien.

Figuur 1: We vroegen aan alle deelnemers van het NKO: Geeft u aan in welke mate u het eens of oneens bent met de volgende uitspraken: Democratie is in alle gevallen de beste regeringsvorm; Rechters zouden de regering moeten kunnen stoppen als die iets doet wat niet tot haar bevoegdheden behoort; en Een sterke regeringsleider is goed voor Nederland, ook als die leider de regels wat oprekt om dingen voor elkaar te krijgen. Voor de figuur zijn de antwoorden gecodeerd in drie categorieën: antwoordopties 1–2 (Mee eens), antwoordoptie 3 (Neutraal) en antwoordopties 4-5 (Niet mee eens). Percentages kleiner dan 3% zijn wel weergegeven in de balken, maar niet gelabeld.

Gaat de democratie achteruit, volgens kiezers?

Van alle deelnemers ziet 40% enige tot sterke achteruitgang, tegenover 21% die die niet ziet; de rest neemt een neutrale positie in of weet het niet. Maar wat vooral opvalt is dat deze erosiepercepties sterk gepolitiseerd zijn. PVV-stemmers zien het vaakst erosie (53%), op de voet gevolgd door GroenLinks-PvdA (48%), terwijl VVD- (35%) en CDA-stemmers (37%) het minst somber zijn. Opvallend genoeg betekent een vergelijkbaar niveau van zorg niet dat kiezers zich zorgen maken over dezelfde dingen.

Welke democratie staat onder druk?

Hier wordt het interessant. PVV-stemmers en GroenLinks-PvdA-stemmers zien ongeveer even vaak erosie, maar bedoelen daarmee iets totaal anders (zie Figuur 2). PVV-stemmers maken zich vooral zorgen om de vrijheid van meningsuiting (63%), vrije en eerlijke verkiezingen (52%) en algemene democratische normen (51%). GroenLinks-PvdA-stemmers wijzen ook naar die democratische normen (74%), maar vullen dat aan met zorgen over de rechten van minderheden (68%) en de rol van de media (63%). Twee kiezersgroepen kijken naar dezelfde democratie en zien een volstrekt ander gevaar.

Vervolgens vroegen we aan deelnemers wie of wat de achteruitgang van de democratie dan veroorzaakt. Gemiddeld wijzen kiezers vooral naar buitenlandse inmenging (58%), sociale media (49%), politieke partijen (44%) en kunstmatige intelligentie (42%). Ambtenaren (11%), rechters (10%) en het leger (1%) worden nauwelijks als bedreiging gezien. De uitsplitsing naar de verschillende kiezersgroepen is opnieuw veelzeggend: PVV-stemmers wijzen vooral ‘de hele politiek’ (54%) en de Europese Unie (52%) aan, terwijl GroenLinks-PvdA-stemmers vooral sociale media (83%), buitenlandse inmenging en politieke partijen (beide 76%) noemen.

Wanneer het specifiek gaat om politieke partijen als veroorzakers van democratische erosie, ontstaat een opvallend patroon. Vrijwel iedereen wijst vooral naar de politieke tegenstander. PVV (31%) en FvD (28%) worden in het algemeen het vaakst genoemd als veroorzakers van democratische erosie, maar bijna nooit door de eigen achterban. Sterker nog: bij geen enkele partij noemt meer dan 4% van de eigen kiezers de eigen partij als bedreiging voor de democratie. PVV-kiezers wijzen op hun beurt vooral naar GroenLinks-PvdA (27%) en D66 (21%). Democratische erosie, zo lijkt de Nederlandse kiezer te denken, is vooral iets wat de politieke tegenstander veroorzaakt.

Figuur 2: We vroegen alleen aan de deelnemers die enige tot (zeer) sterke democratische erosie zagen (40% van alle deelnemers): Welke onderdelen van de democratie zijn volgens u vooral in gevaar? Respondenten konden meerdere antwoorden aankruisen. De figuur toont per antwoordoptie het percentage respondenten dat deze optie heeft aangevinkt.

En welke onderdelen van de democratie zijn dan wel weerbaar?

We vroegen de 21% die géén erosie ziet, waarom zij optimistisch zijn. Hun vertrouwen rust vooral op de vrijheid en eerlijkheid van verkiezingen (80%, zie ook hoofdstuk 4 van het huidige NKO), en in mindere mate op de ruimte om je uit te spreken (65%). Dat laatste is opvallend, want juist het demonstratierecht staat in Nederland onder druk. Maar één ding springt er vooral uit: politici (21%) en politieke instellingen (35%) worden door maar weinig kiezers genoemd als bron van weerbaarheid. Zelfs onder deze optimisten gelooft men het minst dat politieke instellingen goed functioneren en dat politici zich aan de democratische regels houden.

Dit patroon sluit aan bij een bredere, ongemakkelijke trend in het onderzoek naar democratische achteruitgang wereldwijd: het zijn juist vaak democratisch gekozen leiders die de democratie van binnenuit ondermijnen, door de instituties aan te vallen die hen in toom zouden moeten houden. Politiek en partijen worden door kiezers dus tegelijk gezien als de belangrijkste veroorzakers van erosie en als de minst sterke waarborg ertegen. Dat is een schrale uitgangspositie als de politiek zelf de democratie zou moeten verdedigen.

Kortom

Is de Nederlandse democratie in gevaar? Op basis van de expertscores en van ons onderzoek naar erosiepercepties is het antwoord vooralsnog: nee. Tegelijkertijd laat ons onderzoek zien dat een aanzienlijk deel van de Nederlandse kiezers wel degelijk democratische erosie waarneemt. Dat is op zichzelf niet een slecht teken. Democratische weerbaarheid vereist immers dat burgers mogelijke bedreigingen voor de democratie herkennen. Het waarnemen van democratische erosie is een belangrijke voorwaarde voor burgers om de democratie te kunnen verdedigen. Bovendien is er tot op zekere hoogte eensgezindheid over welke onderdelen van de democratie kwetsbaar zijn: het zijn vooral de liberale, ‘zachte vangrails’ van de democratie die als zwak worden gezien.

Onze resultaten laten bovendien zien dat democratische erosie niet alleen iets is wat experts beoordelen, maar ook iets wat burgers waarnemen. Begrijpen hoe burgers naar de staat van de democratie kijken, is daarom een belangrijk onderdeel van het begrijpen van democratische weerbaarheid.

Maar de gedeelde zorg is diep gepolitiseerd. Een groot deel van de kiezers ziet democratische erosie gebeuren, maar is het grondig oneens over welke onderdelen van de democratie eroderen en wie hiervoor verantwoordelijkheid draagt. Daarbij wijzen zij meestal niet naar de eigen politieke voorkeur, maar naar de politieke tegenstander. De kwetsbaarheden liggen deels buiten Nederland (denk aan buitenlandse inmenging) maar deels ook binnen de nationale politiek: bij politici en partijen die de democratische normen, volgens de Nederlandse kiezer, niet altijd even serieus nemen.

De belangrijkste uitdaging voor democratische weerbaarheid in Nederland lijkt daarom niet te liggen in een gebrek aan waakzaamheid. Veel kiezers nemen immers democratische erosie waar.

De uitdaging ligt eerder in het feit dat burgers fundamenteel verschillen in hun diagnose van democratische problemen. Zij kijken naar dezelfde democratie, maar zien niet altijd dezelfde bedreigingen.