Nederland vergrijst, dat is een feit. Het aantal AOW’ers stijgt, het aantal werkenden per gepensioneerde daalt, en de uitgaven aan de AOW liepen op van grofweg 19 miljard rond de eeuwwisseling naar ruim 50 miljard euro nu. Tegelijk wordt de AOW voor het eerst meer dan de helft betaald uit belastinginkomsten in plaats van premies. Dat klinkt als een waarschuwingslicht op het dashboard van de schatkist – en precies zo wordt het ook politiek gepresenteerd.Maar wie inzoomt op de cijfers, ziet een veel minder apocalyptisch beeld. Economen kijken niet alleen naar miljarden, maar naar de AOW als percentage van de totale economie. Dan blijkt dat de kosten al decennia bewegen in een bandbreedte van grofweg 4 tot 6 procent van het bbp. De jongste ramingen gaan uit van een stijging tot circa 5 à 5,5 procent in de jaren rond 2040 – een forse hap, maar geen ontsporing. Eerdere prognoses, die nóg hogere percentages voorspelden, zijn bovendien stelselmatig te somber gebleken.Toch blijft in Den Haag het woord “onbetaalbaar” rondzingen. Dat is handig: wie iets wil veranderen aan de AOW-leeftijd, aan de hoogte van de uitkering of aan de manier van financieren, begint niet met de boodschap “het kán prima, maar we willen het anders verdelen”. In plaats daarvan wordt de indruk gewekt dat er geen keuze ís – dat de demografie ons dwingt.Die dwang valt bij nader inzien tegen. Natuurlijk, de AOW blijft een enorme kostenpost en concurreert op de begroting met zorg, defensie en klimaatbeleid. Maar of we ouderen laten meebetalen via hogere belastingen, werkenden zwaarder belasten met premies, of bijvoorbeeld vermogens sterker aanspreken, is uiteindelijk een politieke keuze. Wie “onbetaalbaar” zegt, probeert een verdelingsvraagstuk te verkopen als natuurwet.
Daarmee wordt het echte debat handig omzeild: wat vinden we een fatsoenlijke oudedagsvoorziening, en hoe eerlijk verdelen we de rekening tussen jong en oud? Pas als die vragen open op tafel liggen, blijkt hoe rekbaar het begrip “onbetaalbaar” eigenlijk is.
